14/09/2014 12:01

Gebruik van de werkwoordstijden / Use of verb tenses in Dutch

Het gebruik van de presens 

De presens kan in principe gebruikt worden in de volgende gevallen:

1   Een handeling of situatie nu, op dit moment.

Ik lees een boek.

2   Een blijvende of steeds terugkerende handeling of situatie.

Ik ben getrouwd.

Ik drink elke dag drie kopjes koffie.

3   (Vaak) een handeling of een situatie in de toekomst, zeker wanneer de tijd genoemd wordt.

De trein vertrekt over tien minuten.

4   (In sommige gevallen) het vertellen van schokkende, plotse­linge, vaak onverwachte gebeurte­nissen in het verleden.

Weet je wat er gisteren gebeurd is? Ik sta op de bus te wachten en ineens staat er een vrouw achter me, die zegt ...

Het gebruik van het imperfectum 

Het imperfectum wordt in principe gebruikt in de volgende gevallen:

1   Een beschrijving of constatering van een handeling of situatie in het verleden, of bij het geven van bijzonderhe­den over zo'n situatie.

Vroeger hield hij niet zo van pindakaas.

Ik was nog thuis toen de telefoon ging.

2   Een steeds terugkerende handeling of situatie in het verle­den, een gewoonte.

Ik kwam vroeger altijd te laat naar school.

In de achttiende eeuw droegen de vrouwen altijd lange rokken.

3   Kort op elkaar volgende handelingen.

Zij kwam binnen, zette haar tas neer en ging weer weg.

4   In een bijzin, wanneer in de hoofdzin een werkwoord in het imperfectum of in het plusquam­perfectum staat.

Hij vroeg of wij morgen kwamen.

Ze had gezegd dat hij naar school moest.

 5  Bij een voorwaarde of een onwerkelijkheid.

Als ik veel geld had, kocht ik een dure auto.

Als mijn opa nog leefde, was hij nu 100 jaar.

6   Na de voegwoorden toen en terwijl, en na het bijwoord vroeger wordt bijna altijd het imperfectum en niet het perfectum gebruikt.

Toen ik klein was, woonden wij in Utrecht.

Terwijl ik mijn e-mails checkte, keek Anne naar de televisie.

Vroeger had ik geen vaste baan, maar nu heb ik er wel een.

Het gebruik van het perfectum 

Het perfectum wordt in principe gebruikt voor het aanduiden van een situatie of een handeling in het verleden, die afgelopen is. Het perfectum wordt vaker gebruikt dan het imperfectum.

Ik ben vorig weekend in Parijs geweest.

Hij heeft een afspraak gemaakt bij de huisarts.

Het gebruik van het plusquamperfectum 

1   Een situatie of handeling in het verleden, die plaats heeft gevonden vóór een andere situatie of handeling in het verleden, en waarbij de ene handeling in nauwe relatie staat tot de andere.

Ik ben gisteren in Breda geweest. Ik was er nooit eerder geweest.

Joep heeft een jaar in dat bedrijf gewerkt. Daarvoor had hij al in een ander bedrijf gewerkt.

2   In een bijzin, wanneer het werkwoord in de hoofdzin in de o.v.t. staat en een handeling of de situatie in de bijzin eerder heeft plaatsgevonden dan die in de hoofdzin.

Hij zei dat hij gisteren niet thuis was geweest.

Ik begreep dat hij tegen haar had gelogen.

Nadat we gegeten hadden, gingen we naar de bioscoop.

3   Bij een voorwaarde of een onwerkelijkheid

Als ik niet ziek was geweest, was ik wel gekomen.

Had zij maar niet zo hard gereden, dan was het ongeluk niet gebeurd.

4   Om voorzichtig een voorstel te doen

We moesten morgen weer eens je oma bellen, had ik gedacht.


—————

Back


Contact us